groep Parijs


Foto album: https://oorlogskantschool.wordpress.com/foto-archief/

Naamlijsten van enkele schoolkolonies: http://xxxxxxx7.wordpress.com


Wanneer de Belgische overheid vanaf half mei 1915 volop inzet op een samenwerking met de hulporganisatie Children of Flanders Rescue Committee  worden in snel tempo nieuw schoolkolonies Colonies Scolaires Belges onder toezicht van de Belgische overheid, opgericht in de omgeving van Parijs. Kinderen die met het eerste treinkonvooi van 17 mei 1915 naar Parijs worden overgebracht krijgen een plaats in de schoolkolonies te Parijs (rue de la Santé – Kinderen van Vlaanderen), Garches (La Valadière – Colonies Scolaires Belges) en Champlan (La Bréteche – Colonies Scolaires Belges).

Op 18 oktober kwam het eerste treinkonvooi met Waalse kinderen uit de industriegebieden rond Luik en Charleroi aan in de schoolkolonies. * zie https://oorlogskantschool.wordpress.com/colonies-de-sa-majeste-la-reine/

Na de bombardementen op Parijs beslist de Belgische overheid een groot aantal schoolkolonies in de omgeving van Parijs over te plaatsen naar nieuwe vestigingsplaatsen in het Westen en Zuiden van Frankrijk. * zie https://oorlogskantschool.wordpress.com/bombardementen/


Schoolkolonies van de “groep Parijs”: “Les Enfants de l’Yser

BALLAINVILLIERS – BOUGIVAL – GARCHES – CHAMPLAN – CHARS – CHEVILLY jongens – CHEVILLY meisjes – ECOUEN  – FONTENAY-AUX-ROSES – GRIGNON-ORLY – LA CELLE St.-CLOUD – LE PECQ “Spa Francaise” – LE VESINET – LOUDUN –  NANTRERRE  – PARIS, rue Vouillé – POISSY – PONTOISE – REUIL-MALMAISSON –  SAINT-GERMAIN-EN-LAYE  – SAINT-PRIX – SARCELLES – VERSAILLES – VIROFLAY-CHAVILLE 

Schoolkolonies van de groep Parijs: “Oeuvre des Enfants des Flandres”

PARIS, rue de la santé – SEVRES – SAINT OUEN – MONSOULT

Schoolkolonies van de groep Parijs”: “Colonies de Sa Majesté La Reine”

 LE PECQ – LE VESINET 1 – LE VESINET 2 – SAINT-GERMAIN-EN-LAYE – CHATOU

Schoolkolonies onder toezicht van het Ministerie van Justitie

SAINT-GERMAIN-EN-LAYE 


“Les Enfants de l’Yser”


1. CHARS – Villa Jeanne d’Arc – “Orphelinat Belge” (Val d’Oise) 61 meisjes uit het weeshuis van Moorslede opstart 10 januari 1915  

  • Op 19 oktober 1914 vertrok een drietal zusters en 31 meisjes naar Zonnebeke om de dag nadien verder te trekken naar Proven.
  • Op 18 januari 1915 vluchten de zusters Paulinen en 31 meisjes van het Orphelinat du Sacré-Coeur uit Moorslede naar Frankrijk waar ze twee weken in het klooster van La Charité de St.-Vincent de Paul aan rue du Bac te Parijs verblijven tot ze dankzij het Comité Franco-Belge een plaats krijgen in de schoolkolonie van Villa Jeanne d’Arc te Chars.
  • directie: zuster Bernardine E.VANDEROUGSTRAETE

chars2

 EERSTE TREINKONVOOI

De l’argent! Jamais. Que ce gouvernement de crétins vous paie!…was het antwoord van Baron François Empain aan Mariavan den Steen toen ze op 22 januari 1915 te Parijs op zoek was naar geld om een tyfusziekenhuis voor burgers te Poperinge in te richten.

Diezelfde Empain kreeg enkele weken later van de Belgische regering een opdracht om samen met Emile Brunet de vluchtelingenstroom met duizenden Belgen die in Parijs waren gestrand te coördineren, en speelde vanaf april 1915 een belangrijke rol bij het oprichten van de eerste door de Belgische regering georganiseerde schoolkolonies in Frankrijk.

Toen de eerste besprekingen over de huur van enkele gebouwen waren afgerond werden contacten gelegd met enkele welstellende in Parijs verblijvende Franse en Amerikaanse families die het verblijf van de kinderen zouden helpen financieren. Met Paul Peltier, oprichter van het opvangcentrum ‘Le Secours de Guerre’, werd een regeling getroffen om de kinderen, in afwachting van een definitieve plaatsing in een schoolkolonie, tijdelijk op te vangen in het voormalige seminarie van Saint Sulpice. En met Edith Wharton werden afspraken gemaakt om een aantal kinderen die met het eerste konvooi zouden aankomen bij de hulporganisatie ‘The Children of Flanders Rescue Committee’ onder te brengen.

Het was uiteindelijk pas op 18 mei wanneer de trein met jongens, meisjes en begeleiders uit de Westhoek de ‘Gare du Nord’ binnen reed. Het eerste treinkonvooi was de dag voordien uit Adinkerke vertrokken. Onderwijs inspecteur Hellebuyck uit Nieuwpoort was samen met enkele onderwijzers verantwoordelijk voor de begeleiding. Onder hen het gezin van hoofdonderwijzer Jules Dondeyne uit Lo, zijn echtgenote Léonie Rabaey en hun zonen Paul en Albert. Jules, Léonie en Paul werden op 20 mei, na een verblijf van enkele dagen in Saint Sulpice, met een eerste groep van een 80-tal jongens overgebracht naar Garches, een kleine gemeente in het departement Hauts-de-Seine op 18 kilometer ten Westen van Parijs. De 14-jarige Albert Dondeyne, die klassieke humaniora volgde aan het St.-Stanislascollege te Poperinge, zette zijn middelbare studie verder te Versailles.

De schoolkolonie werd ingericht in het kasteel ‘La Valadière’, een voormalig sanatorium aan de rue de la Plaine. Vanaf vanaf 15 mei huurde de overheid het gebouw voor zes maanden van André Weill, oprichter van een consortium met kledingwinkels in Parijs. Voor de eerste maanden betaalde de overheid 1.750 frank en daarna een maandelijkse huur van 200 frank. Vlaamse leerkrachten en zusters Annuntiaten uit Reninge bekommerden zich over het lot van de kinderen.

Op 22 mei werd een tweede groep met een 50-tal jongens overgeplaatst naar Champlan in het departement Essonne op 23 kilometer ten Zuiden van Parijs. Deze schoolkolonie werd ondergebracht in ‘Le Moulin de la Bretèche’ een vakantiewoning voor Parijse schoolkinderen. Deze schoolkolonie werd bestuurd door zuster Rosalie Goethals en haar medezusters, Paulinen uit Zuidschote. Beide schoolkolonies voor jongens vielen onder de bevoegdheid van de Belgische overheid.

De 165 meisjes bleven in Parijs. Zij trokken op 23 mei naar een gebouw aan de rue de la Santé,een voormalige meisjesschool van de katholieke gemeenschap ‘Les Fidèles Compagnes de Jésus’, dat door de Belgische overheid werd gehuurd en het ter beschikking stelde van de hulporganisatie van Edith Wharton. Zusters Annuntiaten uit Veurne zorgden 4 jaar voor de opvoeding en het onderwijs.

schoolkolonie rue de la Santé: zie hoofdstuk Hulporganisaties / Kinderen van Vlaanderen

2. GARCHES – La Valadière-52 Rue de la Plaine (Hauts-de-Seine) – +/- 88 jongens – opstart 20 mei 1915.


Deze schoolkolonie wordt bestuurd en gepatroneerd door Mevrouw Stern met een gedeelde verantwoordelijkheid tussen haar en de overheid die instaat voor de huur en inrichting van het gebouw. Mevrouw LEONIE RABAEY (Lo: 8-12-1867) echtgenote van hoofdonderwijzer Jules Dondeyne uit Lo, werd tijdelijk aangesteld als directeur. In deze schoolkolonie kwamen op 20 mei 85 jongens en 7 zusters Annuntiaten uit Reninge, die sinds 24 april 1915 bij de zusters van Sint Vincentius à Paulo te Parijs verbleven.

  • Leerkrachten: DONDEYNE JULES – Poperinge  23-1-1961, hoofdonderwijzer te Lo – verbleef samen met zijn echtgenote Leonie Rabaey en hun jongste zoon Paul (14-10-1903) in de schoolkolonie. Hun tweede oudste zoon Albert (10-5-1901) vertrok met hetzelfde konvooi naar Frankrijk maar zette zijn middelbare studie verder te Versailles. Het gezin Dondeyne-Rabaey had vijf kinderen, VERMANDER ADELSON – Hooglede 19-12-1886, leerkracht Kein Seminarie Roeselare – dirigent harmonie Hooglede, GAEREMYNCK GEORGES – Zwevegem 22-8-1885, onderwijzer Tiegem, DECRAEMER CAMILLE – Esen 9-10-1889; leerkracht College Veurne, GARRAIN ARTHUR 
  • Religieuzen: zusters Annuntiaten Reninge

Op 17 oktober 1917 kwamen 17 Waalse kinderen aan die op 9 oktober uit de regio Luik waren vertrokken.

Photo kopie 6


3. CHAMPLAN – La Bretèche  (Essonne) – 56 jongens – opstart 22 mei 1915.


De 57 kinderen komen op 22 mei 1915 aan in de schoolkolonie en worden op 16 oktober overgeplaatst naar Nanterre. In deze schoolkolonie verblijven de zusters Paulinen uit Zuidschote

  • directrice: zuster ROSALIE GOETHALS
  • religieuzen: zusters Paulinen Zuidschote

Champlan %22La Breteche%22


  TWEEDE TREINKONVOOI

Na een bezoek op 25 mei 1915 van senator Empain en volksvertegenwoordiger Brunet aan bisschop Alexandre Le Roy, en hun vraag om dringende hulp, namen de Parijse Congregaties contact op met hun verschillende ordes ten Zuiden en ten Westen van deFranse hoofdstad om accommodatie te organiseren voor 50 tot meer dan 100 Belgische kinderen.

Twee weken na het eerste, vertrok het tweede treinkonvooi van de overheid met 229 meisjes en 152 jongens op 1 juni 1915 uit de Westhoek. Het konvooi werd begeleid door 28 volwassenen: religieuzen, dienstpersoneel en onderwijzers.

Ook nu werd iedereen na zijn aankomst te Parijs overgebracht naar het seminarie van Saint Sulpice waar tijdelijk 400 plaatsen waren gereserveerd om de kinderen opte vangen voor ze naar een schoolkolonie vertrokken.

Sinds april zorgde Emile Brunet dat de Belgische religieuzen, van verschillende kloosterordes,werden samengebracht in het Parijse klooster van St.-Vincent de Paul in afwachting van hun opdracht. Twee van hen verbleven reeds enkele dagen te Ballainvilliers om de aankomst voor te bereiden. Het gebouw war de zusters een schoolkolonie inrichten was eveneens eigendom van de congregatievan Les files de la Charité de Saint-Vincent-de-Paul en sinds 1888 in gebruik als weeshuis van ‘Les Soeurs du Sacré-Coeur’ die er met 40 Franse kinderen verbleven. Er was nog plaats voor 175 meisjes. Na een kort verblijf in Saint Sulpice trokken op 3 juni 174 meisjes, met wagens van het plaatselijke politiebureau uit het 6de arrondissement, naar het kasteel aan de Rue Geofroy St.-Hilaire te Ballainvilliers in het departement Essonne op 21 kilometer ten Zuid-Westen van Parijs. De slaapkamers in het gebouw waren ruim, er was een grote keuken en een mooie tuin. Zes zusters van Liefde uit Houtem bij Ieper stonden vanaf de start in voor de opvoeding en hetonderwijs. De zusjes Madeleine en Marie-Antoinette Dubois en Jeanne Leterme, eveneens uit Houtem, verbleven op het kasteel.

In de ‘Refuge La Ruchette’ een voormalig preventorium aan de Rue Pasteur te Viroflay-Chaville kwamen diezelfde dag 45 meisjes met vijf religieuzen uit Mesen aan. Een kloosterzuster had zelfs haar oude vader van 88 jaar oud meegebracht. Kort na hun aankomst schreef Henri Welschinger, een plaatselijke politieker, een brief met oproep tot liefdadigheid. Er werd bij de bevolking 163,95 frank opgehaald om een dringend tekort aan schoenen en kledij op te lossen en bloemen die op straat werden verkocht ten bate van de vluchtelingen brachten 1.102,50 frank op. Het verblijf voor de meisjes lag aan de rand van ‘La Forêt de Meudon’ in het Franse departement Hauts-de-Seine op 4 kilometer van Versailles.

Op vrijdag 6 juni 1915 werden de jongens overgebracht naar Chevilly waar een gebouw met een capaciteit van 350 bedden beschikbaar was. Enkele dagen voordien had François Empain een ontmoeting met Hippolyte Boulenger uit Choisy-le-Roi, een industrieel in de porselein industrie die 1.400 werknemers tewerk stelde. De overheid hoopte dat zijn welstellende familie een deel van het verblijf te Chevilly zou financieren. In een eerste fase kwamen 162 jongens terecht in een schoolkolonie die gevestigd was in het Couvent des Péres du Saint Esprit te Chevilly dat 114 km ten Noorden van Parijs lag in het departement Val-de-Marne. Bisschop Le Roy, overste van de inwonende broeders, had een deel van het domein tot april 1919ter beschikking gesteld van de Belgische vluchtelingen. Onderwijzer Achille Decock uit Voormezele werd aangesteld als directeur. 18 zusters Paulinen uit het klooster van Nieuwkerke en een 10-tal leerkrachten uit het arrondissement Ieper stondenin voor de dagelijkse werking, de opvoedingen het onderwijs.

Op het domein was er ook een grote boerderij met weiland en landbouwgrond. Hiervoor werden twee paarden, drie koeien, twee vaarsen, enkele varkens en twee tractors aangekocht. Maurice Butaye, Hilaire Casier, Hilaire Deconinck en André Leupe uit Voormezele en Louis Demeester, Albert Despringer, Raymond Devos, Gaston Dewilde, Marcel D’Huysser, Abel, Georges, Marcel, Omer en Valère Gheerardyn, Albert Gruson, Albert Indevuyst, Henri Meurin en Gaston Storme uit Nieuwkerke verbleven te Chevilly.


4. BALLAINVILLIERS – Château – Rue Geofroy St.-Hilaire (Esonne / Ille-de-France)+/- 172 meisjes – opstart 3 juni 1915.


  • directie: IDALIE HORTA
  • personeel:  SYSSAU SILVIE Merkem
  • religieuzen: zusters Ursulinen uit de kloosters van Houtem, Wijtschate en Stuyvekenskerke (congregatie Heule)
  • onderwijs: RENILDE GONTIER, ISABELLE ALLAERT
  • toezicht/verpleging: CESARINE DECERF
  • aalmoezenier: BRUYNSTEEN (pastoor Ieper)

* zie http://xxxxxxx7.wordpress.com/verhaal-van-de-kinderen-boudry/
Photo


5. VIROFLAY-CHAVILLE – La Ruchette – 14, Rue Pasteur (Hauts-de-Seine) – 46 meisjes – opstart 3 juni 1915 – overgeplaatst naar La Rourgeraie in Martigne Ferchaud departement Ille-et-Villaine 1918


  • religieuzen: zusters Saint-Jozef uit Mesen

236_001

Artikel van mevrouw DE GISORS in La Gazette:

En juillet 1915 il y avait à Viroflay environ cent réfugiés de la Belgique et des départements envahis qu’il a fallu nourrir, habiller et loger. Ils touchaient une allocation qui, pour 15 jours, en faveur d’une famille de huit personnes, dont deux enfants, se montait à 127,50 Francs*. (Nous l’avons vu, le litre de lait valait alors 0,50 F et les boulangers devaient vendre 1,20 F le pain de 4 livres).

Les archives contiennent un grand nombre de lettres de ces réfugiés qui demandent à la commune de leur faire avoir cette allocation. Parmi les réfugiés belges, il y avait 45 enfants, encadrés par 5 religieuses, belges également, de la région d’Ypres et de Malines. L’une d’entre elles avait avec elle son vieux père âgé de 88 ans. Cette petite communauté était hébergée au Refuge de La Ruchette, ancien préventorium construit en 1900, 27 rue Pasteur à Viroflay. Elles reçoivent 0,80 F par jour et par enfant pour la nourriture, le charbon, la lumière …

Une lettre fort émouvante de M. Welschinger (14 juillet 1915) est un appel en leur faveur à la charité publique. Si la charité des familles permet d’habiller les enfants, les chaussures posent un problème urgent à résoudre. Il faudra aussi des manteaux et des couvertures pour l’hiver. La souscription publique pour les chaussures, patronnée par la Mairie, rapportera 163,95 F. Une petite fleur, vendue dans la rue au profit des enfants réfugiés belges et français, donnera 1102,50 F.


6. CHEVILLY – Couvent des Pères Saint Esprit– (Val-de-Marne)  rue Pére Mazurie +/- 321 jongens – opstart 6 juni 1915


In Chevilly werd het gebouw, net zoals te Grignon-Orly, ter beschikking gesteld door bisschop LEROY.

AF B 0491 - 11

 

  • directie: DECOCK ACHILLE Voormezele (onderwijzer te Izegem)
  • aalmoezenier: VANDENBULCKE GEORGES
  • onderwijs: DELBAERE CAMILLE Watou, ANTHEUNISSEN EDUARD Ekeren,  DECOCK BENJAMIN Houtem/Ieper, GHEERARDYN CHARLES Ieper,  DECOCK OCTAVE Ingooigem, MAERTENS ABEL Ploegsteert,  PAUWELS MAURICE en VERSTEELE JORIS Veurne,  DESCAMP HUBERT Voormezele, 
  • religieuzen: zusters uit het klooster van Nieuwkerke
  • toezicht: DECOCK ALPHONSE Voormezele
  • personeel:  HEYTENS JOSEPH Ardooie (kleermaker), DEMEULENAERE EDMOND – Beselare (schoenmaker), DEGRAEVE ARTHUR Elverdinge, klompenmakers MEERSEMAN HENRI Ieper (klompenmaker), LEUPE AUGUST Voormezele (klompenmaker)

“l’affaire Van Derene” Door het grote aantal kinderen waren er vanaf het begin problemen met de discipline. Reeds kort na de opstart slaagden enkele jongens erin om te vluchten waarna inspecteur Dochy een onderzoek instelde en de kinderen terug aantrof bij hun ouders in Adinkerke. Problematischer werd het begin juni 1916 wanneer vijf jongeren , 11 en 12-jarigen,  enkele waardevolle medaillons roofden uit de cellen van de Broeders van Saint-Esprit en in de tuin hadden begraven. Tijdens het daaropvolgende verhoor toonden ze geen spijt wanneer ze vertelden hoe de diefstal werd georganiseerd. De volgende morgen op 6 juni, besliste de Belgische overheid om de jongens over te plaatsen naar de tuchtschool van Ieper die de overheid te Fontevrault in het departement Maine-et-Loire had opgericht. 


  DERDE TREINKONVOOI

Het vorige konvooi was nog niet vertrokken wanneer de minister van binnenlandse zaken, Luikenaar Paul Berryer, reeds op de hoogte werd gebracht van een derde treinkonvooi in de tweede week van juni met meisjes voor Fontenay-aux-Roses en Versailles en jongens voor Grignon-Orly.

Vanaf nu werden naamlijsten opgesteld zodat ouders bij de arrondissementscommissarissen kondeninformeren waar hun kind verbleef. Om de onkosten te drukken werden adelijke families en welstellende industriëlen die een schoolkolonie financieel steunden, peter of meter van de instelling. Empain, Brunet en hun medewerkers gingen ondertussen verder op zoek naar nieuwe locaties voor de honderden kinderen die op wachtlijsten van de arrondissementscommissarissen Steyaert te Veurne en Biebuyck te Watou stonden. Ondertussen werden ook gesprekken gevoerd met de burgemeester van Pau in de Basses-Pyrénées en de spoorweg-directeur van de regio Calvados om in Caen gebouwen te huren.

Het derde konvooi met 313 jongens, 206 meisjes en begeleiders kwam op 14 juni aan in Gare du Nord te Parijs waar ook nu overnachtingen was voorzien in Saint Sulpice.

De kinderen zouden ondergebracht worden in de nieuwe schoolkolonies te Orly, Versailles, Fontenay-aux-Roses, St.-Ouen en schoolkolonies waar reeds meisjes verblijven te Ballainvilliers en jongens te Chevilly.

Te Grignon, een deelgemeente van Orly, arriveerde op maandag 15 juni een eerste groep van 100 jongens en de volgende dag nog eens 150. Beide groepen waren vergezeld van enkele religieuzen uit Vladslo. De schoolkolonie te Orly in het departement Val-de-Marne, werd ondergebracht in Château Grignon bij de broeders van het Couvent des Pères du Saint Esprit. Omdat er meer kinderen op de trein zaten dan vooraf aangekondigd, werden op maandag 16 juni, 64 jongens naar Chevilly en 50 meisjes naar Ballainvilliers gebracht waar sinds begin juni kinderen verbleven.

Op 17 juni werden 92 meisjes en 14 kloosterzusters van de Heillige Familie opgevangen bij de congregatie La Saint-Enfance de Jésus aan de rue St.-Honoré te Versailles.

Een 6-tal zusters uit Zillebeke waren enkele dagen voordien naar Versailles gereisd om de ontvangst voor te bereiden. Enkele weken later vervoegden 8 medezusters die naar St.-Omer waren gevlucht de groep te Versailles. o.a. Goemine Maria uit Zillebeke verbleef in deze schoolkolonie.

Een aantal kinderen werd in Fontenay-aux-Roses opgevangen in de gebouwen van het voormalige Collège Sainte-Barbe waar de hulporganisatie “Refuge Franco-Belge de Sainte-Barbe-des-Champs” opvang had voorzien voor een  100-tal Belgische kinderen verbleven.

Het college lag aan de rue Boucicaut op 9 kilometer ten Zuiden van Parijs.

Bij gebrek aan plaats konden de laatste vier kinderen voor de schoolkolonie te Garches nog niet vertrekken.

Ondertussen stuurde arrondissementscommissaris Biebuyck een telegram naar Parijs waarin hij aankondigde dat alle voorbereidingen waren afgerond om nog een konvooi met minstens 400 kinderenuit de regio Ieper-Poperinge te laten vertrekken. De overheid was dan nog volop gebouwen aan het inrichten te St.-Ouen en Sarcelles.

Net zoals in Chevilly (jongens), was er ook in Grignon-Orly een boerderij. Hiervoor werden 4 paarden, vier melkkoeien en acht varkens aangekocht. Om het land te bewerken kocht de overheid ook twee karren, een camion en een tractor.


7. FONTENAY-AUX-ROSES – Ancien Collège St.-Barbe-des-Champs, Rue Boucicaut, 48 70-tal meisjes (Hauts-de-Seine) opstart 15 juni 1915 – overplaatsing naar Château Clio in Quessoy 1918 departement Côte-d’Armor


De schoolkolonie werd integraal gefinancierd door Le Comité Franco-Belge de Versailles die op 25 november 1914 was opgericht  door het comité des oeuvres départementales de guerre. In de schoolkolonie verbleven een 90-tal kinderen uit de Westhoek.

fontenay-a

  • directie: DUROT MARIE

8. ORLY – Hameau Grignon – Couvent des Pères du Saint Esprit (Val-de-Marne) +/- 292 jongens – opstart 15 juni 1915.


Een eerste groep van 100 kinderen nam de schoolkolonie in gebruik op zaterdag 14 juni, 150 anderen werden de volgende dag van Saint Sulpice overgebracht.

  • directeur: DEBACKER Werken
  • leerkrachten: A.PLADYS Houtem (6de leerjaar), DESRAMAULT MAURICE (3de leerjaar) en REYNAERT Watou (2de leerjaar), H.CLAUS Hooglede, CAMIEL FRANCHOIS Ieper, BOUDEWIJN Waasten, VANDEVENNE Ieper: (tot 1917), VERMEULEN Staden (vanaf 1917), DEBACKER Hoogstade (vanaf 1917), GARIN Ieper (vanaf 1917)
  • aalmoezenier: JULES ELSLANDER
  • religieuzen: zusters Paulinen uit Vladslo en Houthulst
  • personeel:  VERSAELEN Beveren/Roeselare (kleermaker),  DEVOS Bikschote en COUTENYE  Poperinge (schoen- en klompenmakers)

DEVELTER_D_002_0014

Artikel van H.COLLIN, directeur du Lorrain: 

Au sud-est de Choisy-le-Roi, caché dans un creux de terrain au pied des mamelons à travers lesquels serpentent une des routes et une des voies ferrées de Versailles, se trouve le hameau de Grignon, dépendant de la commune et paroisse d’Orly. C’est là que les pères du Saint-Esprit, ces admirables missionnaires, abritaient leur noviciat avant la rafale de la séparation** depuis ce beau domaine a subi les outrages du temps, tout en donnant asile à une œuvre d’apprentis-jardiniers : au commencement de la guerre, il a été occupé par un bataillon d’infanterie, aujourd’hui il est devenu maison de refuge pour les enfants Belges victimes de la guerre.

Ils étaient là, sur tout le front de bataille en Belgique, et particulièrement dans la région de l’Yser, des centaines d’enfants abandonnés, les uns parce que leurs parents sont morts, prisonniers ou dispersés ; les autres parce que leurs foyers sont vides ou détruits et que les familles sont matériellement incapables de les nourrir et de les garder.

Le gouvernement belge, qui a déjà donné tant d’exemples dans cette guerre, s’est fait le père et le pourvoyeur de tous ces délaissés, et il a établi des colonies en différents coins de France où des instituteurs et des religieuses belges leur donnent leurs meilleurs soins avec un dévouement rare : on appelle ces établissements de fortune des colonies scolaires, elles seraient mieux dénommées maisons de famille, tellement les enfants y sont bien traités, surtout au point de vue moral. Au point de vue matériel, tout n’est pas encore fait peut-être, entre autres en ce qui concerne et le vêtement et la nourriture : mais nous sommes en été, les pommes de terre sont bonnes et les petits pieds n’ont pas encore besoin de bas dans leurs souliers éculés. Ce sera autre chose quand l’automne annoncera l’hiver et toutes ses rigueurs. Sans doute, c’est le gouvernement belge qui continuera à s’occuper de ces pauvres petits ; sans doute, la France, qui doit tant à la Belgique, a déjà fait quelque chose puisque par l’organe de quelques français comme Mgr Leroy, supérieur des pères du Saint-Esprit, et d’autres personnes charitables, elle a offert des asiles convenables à ces petites et si intéressantes victimes de guerre ; mais à cette reconnaissance et à cette charité quasi officielles, la bienfaisance privée n’a-t-elle pas un peu le devoir d’ajouter quelque chose, de façon à rendre l’exil moins dur à ces pauvres enfants et à consoler, à rassurer celles de leurs mères vivent, quand elle sauront que des mères de France ont fourni des vêtements chauds peut-être même quelques douceurs, à leurs petits abandonnés ?

Ici, à Grignon, ils sont 270, et, je dois dire que je suis émerveillé de leur piété, de leur tenue et de leur discipline : un geste, un signe, ils s’ébranlent avec autant d’harmonie qu’un bataillon longtemps exercé ; ils viennent de villages très différents ; les uns sont welches, les autres, en plus grand nombre, Flamands ; ils ne se connaissaient pas quand ils ses ont rencontrés, pauvres petits troupeaux venus de partout. Et voilà qu’ils forment un tout compact ; en une semaine, ils étaient fondus, unifiés, comme un collège de jeunes gens qui auraient la même éducation, les mêmes habitudes, le même idéal élevé et bien compris. Tout cela s’est fait naturellement, j’allais presque dire sans efforts, par le fait de cette discipline forte et déjà harmonieuse qui préside à leur formation scolaire dans toutes les écoles et qui paraît être l’âme de l’autorité qu’ont les maîtres. Ah ! ces maîtres, religieuses, directeur, surveillants, instituteurs, comme je voudrais les louer et les montrer en exemple à nos maîtres d’Alsace-Lorraine qui arrivaient à de si maigres résultats avec lla discipline de la force et de la contrainte qu’on leur imposait, aux maîtres de la France qui ne peuvent plus demander à la foi chrétienne la vraie source de l’obéissance, le secours de ses dogmes et de ses grâces ! Je préfère admirer et louer le système moral et religieux, d’après lequel sont formés les maîtres belges. Depuis que j’ai vu leurs enfants à l’église et en récréation, depuis que j’entends la classe qu’on leur fait en dessous de mes fenêtres, je comprends mieux la Belgique ; je ne m’étonne plus que son peuple ait été à la hauteur de devoirs auxquels il n’était pourtant pas préparé et qu’il ait imité l’héroïque fierté de son roi.

Telle école, tel peuple ! Je vois tous les jours l’école, les maîtres et les enfants belges, et je ne puis me défendre de la pensée et de l’espoir que Dieu ne peut pas laisser une nation comme celle-là dans la situation où elle s’est mise pour la défense du droit et de la justice. Mercredi, en célébrant joyeusement la fête de l’indépendance de leur pays, les 300 bambins de grignon acclamèrent le discours de leur directeur par les cris répétés de : « Vive la Belgique ! » et « Vive la France ! » ; et tous autour d’eux nous les répétions de tout notre cœur, en pensant que la mère-patrie de ces chers enfants ferait autant de bien à la France par ses exemples, leur patrie d’adoption, qu’elle lui en avait fait au début de la guerre par le sang de ses soldats.

« Vive la Belgique ! Vive la France ! »


9. VERSAILLES – Couvent de la Saint Enfance de Jésus – 14, Rue St.-Honoré (Seine-et-Oise) +/- 90 meisjes – opstart 17 juni 1915


  • directie: zuster Josephine SIDONIE UZEEL
  • secretariaat: EMERANCE VANDAMME
  • onderwijs: MARIA DE BLEEKERE – MARIA SYNAEVE – RACHEL KESTEYN – BERTHA DECOSTER – IRMA MEERSDOM
  • keuken: VICTORINE MAHIEU – EMILIE VAN ZIELEGHEM
  • wasserij: IRMA DECOSTER – MARIE SEYNAEVE
  • kledij: EMILIE WYFFELS – RAWLINGS EVA
  • onderhoud: HERMINE VAN MEIRHAEGHE – GABRIELLE DE BLEECKERE
  • religieuzen: zusters uit St.-Jan / Ieper (klooster H.Familie Ieper)

HEU001501392


  VIERDE TREINKONVOOI

Zoals bij de vorige konvooien gebruikelijk was, werden de kinderen die vanuit de Zuidelijke Westhoek met de tram aan de verzamelplaats bij ‘de melkerij’ te Poperinge waren vertrokken, afgezet aan de wijk ‘Petit Paris’ te Veurne en stapten wat verder in de velden tussen Veurne en Adinkerke, op de trein.

Koningin Elisabeth was te Adinkerke, bij de laatste treinhalte op Belgisch grondgebied, aanwezig om de jongens en meisjes uit te wuiven en ieder kind een reep chocolade aan te bieden. De dieseltram reed langs St.-Jan-ter-Biezen, Watou, Proven, Roesbrugge, Beveren, Klein-Leisel, Houtem, Wulveringem en Bulskamp tot aan de terminus net buiten Veurne. Afhankelijk van de inschrijvingen stapten onderweg enkele kleinere groepjes op de tram. Het konvooi met ruim 600 kinderen, religieuzen en begeleiders kwam op 26 juni 1915 te Parijs aan om enkele dagen later opnieuw te vertrekken naar de schoolkolonies te Sarcelles, Chevilly, Reuil of St.-Ouen.

Het gebouw van de schoolkolonie in Château de Sarcelles was sinds 21 juni beschikbaar, maar nog niet volledig opgeknapt, wanneer op 27 juni 143 jongens en enkele kloosterzuster uit Loker (Heuvelland) aankwamen. Het kasteel in de gemeente Sainte-Brice-sous-Forêt lag 19,5 km ten noorden van Parijs in het arrondissement Sarcelles. Députe Doisy, een Franse collega van Emiel Brunet en eveneens socialist, stelde het gebouw ter beschikking en had geen bezwaren tegen het verblijf van religieuzen.

Te Chevilly, nog 115 kilometer noordelijker, was de schoolkolonie voor meisjes ondergebracht in de Refuge Saint-Michel, recht tegenover deze voor jongens. Het klooster, in 1906 gebouwd door de zusters van de congregatie Dames-de-la-Charité, bestuurde een instelling waar meisjes in moeilijkheden werden opgevangen en werd nu ter beschikking gesteld van de Belgische overheid om een eerste groep van 90 meisjes uit de frontstreek en 8 zusters Annuntiaten uit Reninge op te vangen. Ook deze gebouwen werden gratis ter beschikking gesteld door het bisschop Alexandre Leroy. In de schoolkolonie van Rueil-Malmaison aan de rue du Marly in het departement Hauts-de-Seine, 15 kilometer ten westen van Parijs, werden 60 meisjes onder toezicht van Vlaamse kloosterzusters geplaatst. De familie van generaal Raymond Aldolphe Séré de Rivières verhuurde zijn eigendom voor de duur van de oorlog aan de Belgische overheid.

De vierde schoolkolonie die in gebruik werd genomen lag aan de route de St.-Denis te St.-Ouen waar op dinsdag 29 juni 202 kinderen werden geplaatst in Le Château Vieux. Een instelling die werd bestuurd door directrice Antonia en 16 medezusters Maricollen uit Staden. Op 19 oktober 1914 waren 34 zuster uit Staden naar Poperinge gevlucht waar ze tot 24 april 1915 bij de zusters Benedictinessen verbleven. Voor het bestuur van deze schoolkolonie die net buiten de agglomeratie van Parijs lag, deed de overheid opnieuw een beroep op de hulporganisatie ‘l’Oeuvre des Enfants des Flandres’ van Edith Wharton.

Een aantal kinderen te Sarcelles werden op dinsdag 29 juni ondervraagd over hun poging om te ontsnappen en naar huis terug te keren. Op 6 juli werden 35 jongens om disciplinaire reden overgeplaatst naar Grignon-Orly. In die periode werden in de schoolkolonies de eerste gevallen van roodvonk gemeld.

Ondertussen had het bureau van Empain en Brunet een toezegging van burgemeester Joseph Garat uit Bayonne om kinderen op te vangen op het domein Camp de Pratz aan de route de Cambo. De stad zou de herstellingswerken bekostigen en eventueel een deel van de verblijfskosten, 40 à 50 fr per kind, op zich nemen. De Belgische overheid zou bedden en linnen ter beschikking stellen voor de opvang van een 100-tal jongens.

In het station te Abele/Poperinge was ook op 25 juni een tweede groep met 43 kinderen onder leiding van Georgie Fyfe naar Parijs vertrokken, waarna ze verder naar Zwitserland reisden.


10. SARCELLES – St.-BRICE-SOUS-FORET – Château de Sarcelles – 143 jongens / bestuurd door de zusters van de congregatie Heilige Familie Ieper – zusters uit Loker (Heuvelland) – opstart 27 juni 1915 – overplaatsing naar Locminé departement Bretagne (Morbihan) 2 juli 1918


  • directie: zuster Angèle ELODIE DESMADRYL Ieper
  • religieuzen: zusters Heilige Familie Ieper
  • onderwijs: zuster Eulalie EUGENIE DECRETON, zuster Dominique DEKEURVER MARIE, zuster Geneviève LEONIE VANDERMARLIERE, zuster Adeltrude ZOZIMA VANDESOMPELE 
  • toezicht: zuster Antoinette ANNA DETREMMERIE, zuster Gardenia ROSALIE VANDAMME
  • verpleging: zuster Tarsilla MARIE DELAHAYE 
  • personeel: zuster Théodora DELEERSNIJDER CELINE (keuken), zuster Ildephonse LEONIE ENGELEN (kleermaakster), zuster Romanie LOUISE ES (toezicht), zuster Benedicta LOUISE FOLLENS (wasserij), zuster Pharaïlde ANGELE GANTOIS (wasserij), zuster Cornélie ELISA GHELDOF (kleermaakster), zuster Marthe ROSALIE SNICK (keuken), zuster Barbe EMMA VERBRUGGE 
  • hulppersoneel: : DEMAN MARIE en ALICE St.-Joris aan de IJzer, GHELDOF MARIE
  • landbouw: BRUNEEL JULES

1512176_596142773865705_5924609815115651005_o


11. CHEVILLY – Monastère de St.-Michel (Val-de-Marne) +/- 131 meisjes opstart 27 juni 1915


  • directrice:  zuster Gabriëlle MATHILDE VANNEUVILLE (moeder-overste) / VIRGINIE COMMEYNE Pollinkhove ( vanaf 6 november 1916, na overlijden van zuster Xavier) 
  • religieuzen: zusters Reninge
  • aalmoezenier: E.H. GEORGES VANDENBULCKE
  • personeel:  DEKIMPE FLORENTINE Gistel  DOSQUET PHILOMENE Verviers

Cevilly.X


12. RUEIL-MALMAISON – 37 Rue de Marly (Hauts-de-Seine) +/- 65 meisjes / opstart 28 juni 1915


  • directie: zuster Adria ALIDA LOBEL
  • religieuzen: zusters van Poelkapelle
  • aalmoezenier: AUGUST VANDERHAEGHE Wingene – pastoor Poelkapelle
  • onderwijs: zuster Adèle M-LOUISE KREUTSER Roeselare, zuster Hildegarde MARIE DEREBREU Roeselare
  • personeel: zuster Priscilla FELICIE VANDEWALLE, zuster Gratiana ELODIE VANDEWIJNCKEL

VIJFDE TREINKONVOOI

De Franse militaire overheid eiste eind september 1915 dat alle kinderen jonger dan 14 jaar die nog in de regio Woesten verbleven, ten westen van de baan Ieper-Veurne, werden geëvacueerd.

Voor arrondissementscommissaris Albert Biebuyck was het onmiddellijke evacueren voorbarig.
Volgens hem was het momenteel gevaarlijker voor de kinderen die nog te Dikkebus en Kemmel verbleven en recent, op 23 september, werden nog een 20-tal kinderen uit Woesten opgehaald die door Georgie Fyfe naar Zwitserland werden overgebracht.

Uiteindelijk werd een bevel van generaal Adringa uitgevaardigd waarbij alle kinderen jonger dan 3 jaar tegen de middag van 25 september zouden geëvacueerd worden.

Om vooral de ouders gerust te stellen had minister van oorlog Charles de Broqueville aan Maria van de Steen voorgesteld om alle kinderen jonger dan 7 jaar naar een veilige plaats te laten brengen.
Colin Rowntree van de Friends Ambulance Unit kreeg van de hulporganisatie Aide Civil Belge een opdracht om 14 kinderen die op het grondgebied van de dorpen Woesten, Elverdinge, Brielen en Vlamertinge verbleven naar Poperinge te voeren.

Omdat vanaf donderdag 1 oktober ook de kinderen uit de gevarenzone rond Dikkebus zouden verwijderd worden stelde Maria van den Steen voor om ook een 20-tal kinderen in die regio op te halen.
Hierdoor kregen in totaal 56 kinderen jonger dan 7 jaar tijdelijke een schuilplaats in het Elisabeth hospitaal aan de steenweg op Reningelst te Poperinge.

Op de middag van 5 oktober werden door Colin Rowntree nog 7 kinderen te Reningelst opgehaald en overgebracht naar de schoolkolonie voor meisjes die door Aide Civil Belge op het kasteel van Wisques nabij St.-Omer werd georganiseerd.
Julie Burque een meisje uit Menen, Emma Minne uit Dikkebus, Germaine Deleu uit Ten Brielen bij Komen en de vier zusjes Vanackere uit Passendale die met hun familie naar Westouter waren gevlucht stapten om 12 uur in de auto van Colin Rowntree en vertrokken richting Frans-Vlaanderen.

Dezelfde dag vertrokken 37 jongens en 15 meisjes die ouder dan 7 jaar waren onder begeleiding van twee religieuzen met militaire voertuigen uit de zone Woesten-Reninge richting Adinkerke.
De evacuatie liep vertraging op waardoor de militairen beslisten naar het dichtstbijzijnde station in het Noord Franse Ghyvelde te rijden en daar op de trein Hazebroek-Duinkerke te stappen om dan in Duinkerke aan te sluiten op het bijzondere treinkonvooi dat om 16 u 55 te Adinkerke zou vertrekken.
De groep bleef noodgedwongen te Ghyvelde achter omdat de treinverbinding werd gemist.

Met het treinkonvooi dat om 16 u 55 uit het station te Adinkerke was vertrokken reisden 246 meisjes, 130 jongens, 21 religieuzen, 7 huishoudpersoneel, enkele leerkrachten en onderwijsinspecteur Dochy mee.
Voor de religieuzen werden 5 plaatsen voorzien te Rouen, 2 te Saint-Ouen, 3 te Saint-Valery-en-Caux, 4 te Yvetot en 1 te Chevilly. Vijf vrouwelijke personeelsleden kregen een opdracht te Caudebec-en-Caux in Normandië.
Voor de schoolkolonie te Saint-Germain-en-Laye waren 6 overwegend Frans sprekende religieuzen, één onderwijzer en twee meiden voorzien.

Om de reis te vergemakkelijken reed men eerst naar Parijs.
Het was reeds van 26 juni 1915 geleden dat een belangrijk treinkonvooi met kinderen uit de Westhoek het station van Parijs was binnengereden.

Enkele van de 50 jongeren en leerkrachten die met de goedkeuring van de Franse burgerlijke en militaire overheid waren meegereisd, stapten zoals voorzien af in het station te Mesnières-en-Bray waar ze in een Franse school hun middelbare studies konden verder zetten. De overige jongens reisden om dezelfde reden naar een college in het 36 kilometer verder gelegen stadje Aumale in het departement Seine-Inférieure.

Door veelvuldig oponthoud kwam het treinkonvooi pas op woensdag 6 oktober om 23 uur ’s avonds aan in de Gare du Nord te Parijs waarna iedereen werd overgebracht naar het voormalige seminarie van Saint-Sulpice om te overnacht.

Een eerste groep van 50 meisjes werd overgebracht naar de schoolkolonie te Saint-Germain-en-Laye die in augustus werd opgericht aan de rue d’Alsace.
Tussen donderdag 7 en zaterdag 9 oktober trokken 76 meisjes in kleinere groepjes van Saint-Sulpice naar de schoolkolonie van Rue de la Santé om er een bad te nemen vooraleer ze naar de schoolkolonie te St.-Ouen werden gebracht.

In de schoolkolonies van de regio Parijs had men sinds enkele weken te kampen met ziektes en epidemies waardoor nieuwkomers grondige werden gedesinfecteerd voor ze naar een nieuwe verblijfplaats werden overgebracht.
Bij de groep met bestemming Chevilly werd bij 17 jongens ‘schurft’ vastgesteld waardoor de kinderen onmiddellijk na hun aankomst in de schoolkolonie in quarantaine werden geplaatst.

Een aantal zusters, waarvan 4 zieken, dienstpersoneel en 120 kinderen voor de schoolkolonies in Normandië stapten op 7 oktober in Parijs op de trein richting Rouen.


13. LA CELLE – St.- CLOUD – La Ruche, Rue Laval 28 (Seine-et-Oise) +/- 48 meisjes  opstart 2 september 1915 – overplaatsing naar Bourg d’Ire op 2 juli 1918 departement Maine-et-Loire


  • directie: zuster SOPHIE KERCKHOF
  • onderwijs: zuster AMELIE HANECA, zuster AUGUSTA DHONDT, zuster EULALIE DEMUNSTER
  • hulppersoneel: SYLVIE VERSTRAETE 

14. LE PECQ – Spa Française , route de St.-Germain (Seine-et-Oise) – 52 meisjes – opstart 31 juli 1917


directie: zuster Fébronie MARIE DEPAEP
onderwijs: zuster Hilda ALICE VELGHE, zuster Hermana MARIA WAGNER
keuken: zuster Cordure CATHERINE BUQUE
linnen: zuster Rachel BERTHA EEREBOUT
kledij: AGNES BOSSUE

photo6photo5



Van Champlan naar Nanterre.

Bij de zusters Paulinen uit Zuidschote die met 57 jongens te Champlan verbleven was er heel wat ongenoegen over de huisvesting van hun schoolkolonie, waardoor François Empain en Emile Brunet, verantwoordelijken voor de gebouwen van de schoolkolonies in de omgeving van Parijs, besloten om de vestiging te sluiten en de kinderen en zusters naar een andere locatie over te brengen.

Op zaterdag 16 oktober werden de 57 jongens die op 17 mei 1915 met het eerste treinkonvooi van de Belgische overheid naar Parijs waren gevlucht en sinds 22 mei in de schoolkolonie van ‘Le Moulin de la Brétèche’ te Champlan verbleven, overgeplaatst naar een nieuw gebouw in het 29 kilometer verder gelegen Nanterre, een voorstad van Parijs in het departement Hauts-de-Seine.

Ook Hilaire Vandevelde een 10-jarige jongen uit de wezenschool van Veurne en geboren te Valenciennes verhuisde samen met 7 Waalse kinderen uit de omgeving van Luik mee naar de nieuwe vestigingsplaats.
In Nanterre werd de schoolkolonie ondergebracht in een gebouw aan hoek van de route de Cherbourg en de rue Joseph Terneau net buiten de stadskern.

Arrondissementscommissaris Biebuyck met kantoor te Watou stuurde op 18 oktober om 17 u 45 een telegram naar minister Berryer in Le Havre met de melding dat door gezinnen uit de gemeenten Oostvleteren, Vlamertinge, Ploegsteert en Dikkebus reeds 100 jongens tussen 8 en 14 jaar en 50 meisjes tussen 8 en 16 jaar werden ingeschreven voor een opname in de schoolkolonies van de overheid.
Minister Berreyer overwoog een aanvraag in te dienen om 200 kinderen van vluchtelingen, waarvan de helft jongens en de helft meisjes, te laten opnemen in een schoolkolonie voor kinderen van soldaten die in het departement Corrèze zou worden opgericht.


15. LOUDUN – opstart 1 oktober 1915

  • directie: DELFORGE

16. NANTERRE – Route de Cherbourg, 19 (Hauts-Seine) – 61 jongens –  opstart 16 oktober 1915 (Kinderen komen vooral uit de schoolkolonie te Champlan)


nanterre.jpg


17. SAINT-GERMAIN-EN-LAYE/bis  144 rue de Pologne (Seine-et-Oise) – meisjes – opstart 1 december 1915

St.-Germain-en-Lay

  • directie:  ROMANIE VANDERMEERSCH (zuster-overste)
  • onderwijs: MARIE ESPRIET, ELISE MEYHUYS, MARIE DE BURGHRAEVE
  • hulppersoneel: FLAVIE JACOBUS

18. PONTOISE – Place Nicolas Flamel (Val d’Oise) – +/- 150 meisjes – opstart 15 december 1915 – de meisjes verblijven in Couvent de la Compassion.

Pontoise

  • directie: zuster Marie-Lydie

1916


19. BOUGIVAL – 334 Avenue de Paris  (Seine-et-Oise) – +/- 85 jongens  – opstart april 1916


  • directeur: zuster Angèle Elodie DESMADRYL Ieper
  • aalmoezenier: MOYERSOEN
  • religieuzen: zusters Heilige Familie Ieper  zuster Gertrude BROOS LOUISE Wilrijkzuster M.Augustine MAU MARTHE Marokko,  zuster M.St.Maurice  CORNELIS LEONIE Beverenzuster M.Sézarine GELENS MARIE Antwerpen, zuster Géraldine THIBAULT GEORGIANNA Quebec (Canada)
  • personeel:  PROPHETE JULIA – Veurne

* op 1 juli 1918 – bombardementen op Parijs – blijven 20 kinderen in de schoolkolonie om te werken op het landbouwbedrijf. Een 40-tal kinderen uit Sarcelles vervoegen hen in augustus.

– begin november 1918  werden op verzoek van Maria van den Steen (Aide Civile Belge – Poperinge) 23 kinderen uit de regio Kortijk opgenomen.

Photo


20. ECOUEN – (Val d’Oise)- meisjes – opstart 18 oktober 1917


21. LE VESINET – 4 Allée au Village (Seine-et-Oise) – meisjes – opstart juli 1917

  • directie: zuster Emerence ELISE SOETAERT
  • religieuzen: zusters Paulinen uit Wulpen, Westouter en Proven
  • aalmoezenier: L VAN RUYMBEKE


1918


22. ORSAY – (Esonne) – meisjes – opstart 26 maart 1918

  • directie: zuster Marie-Geraldine

23. POISSY – (Seine-et-Oise) opstart 1 juni 1918 – overgeplaatst naar Bourgneuf en Quessoy op 25 juli 1918


24. LE VESINET, rue Marceau (Seine-et-Oise) – 150 meisjes – opstart 18 oktober 1917

  • directie: zuster Adria

25. SAINT PRIX – Villa Denucci – (Val d’Oise) – 32 kinderen –  1918


“Colonies de Sa Majesté La Reine” (vanaf 18 oktober 1917)


26. LE PECQ – Rue Victor Hugo 2 – 6bis (Seine-et-Oise) – meisjes – opstart 18 oktober 1917


27. LE VESINET, 14 rue Pasteur (Seine-et-Oise) – 40 meisjes – opstart 18 oktober 1917

  • directie: zuster Appolonia

28. CHATOU – Rue Victor Hugo (Seine-et-Oise) – meisjes – opstart 18 oktober 1917


29. SAINT-GERMAIN-EN-LAYE, – 2-4 rue d’Alsace (Siene-et-Oise) – Waalse 120 meisjes – opstart 18 december 1917

Ministerie van Justitie


30. SAINT-GERMAIN-EN-LAYE, Collège de jeunes filles Nr.30 rue Alexandre Dumas (Seine-et-Oise) – 60 meisjes – opstart: 24 november 1914

Door het toenemende oorlogsgeweld in het noorden van Frankrijk, werden de meisjes van “L’Institution Royale Belge de Messine”, die naar Bailleul in Frans-Vlaanderen waren gevlucht, op 21 november 1914 naar St.-Germain-en-Laye geëvacueerd. Na een tussenkomst van het Belgische ministerie van Justitie dat verantwoordelijk was voor de instelling, werd het “Collège de Jeunes Filles” aan de rue Alexandre Dumas in St.-Germain-en-Laye als nieuw verblijf ter beschikking gesteld.

Op 18 maart 1918 kreeg de schoolkolonie bezoek van La Duchesse de Vendôme, zuster van koning Albert, minister van Justitie Henri Carton de Wiart en zijn dochter Ghislaine, om het nieuw verblijf ten westen van Parijs officieel in te huldigen. Het was prachtig weer wanneer iedereen om 15 uur op het binnenplein werd verwelkomd door directrice mevrouw Marie-Louise Hatry en mevrouw Joséphine Scheerlinck, econome, van de instelling. Enkele Belgische gendarmen brachten een militaire groet bij het binnentreden van het gebouw waar ook Graffier d’Hestroy, minister van België in Parijs, Emile Brunet, kolonel Foucault en John van Schaick, afgevaardigde van het Amerikaans Rode Kruis, aanwezig waren. De hertogin werd ondertussen een bloementuil met rozen en seringen aangeboden door enkel meisjes terwijl aan de achterkant van de inkomhal de meisjes van het instituut begonnen met de tweede strofe van de Brabançonne. Na enkele toespraken en ondertekenen van het huldeboek werd een welkomstgroet uitgesproken door twee meisjes.  Germaine Avicenne richtte zich in het Frans tot de hertogin de minister en Marie Lambelin verwelkomde in het Engels het Amerikaans Rode-Kruis. De plechtigheid eindigde met een feest voor de kinderen en werd afgesloten bij het portret van de Koning waar “l’Hymne de la Victoire” zongen.

Het “Institution Royale de Messines” was een onderwijsinstelling die in 1776 was opgericht door Keizerin Maria Theresia, dankzij haar werd de oude Benedictinenabdij omgevormd voor jongens en meisjes van militairen die omgekomen waren of invalide geworden in dienst van het keizerrijk en geboren waren in de Oostenrijkse Nederlanden.  De instelling in Mesen, sinds 1818 enkel voorbehouden voor meisjes, lag 9 km ten zuidoosten van Ieper en had wanneer de oorlog uitbrak 166 studenten van 6 tot 18 jaar.  Het onderwijzend personeel omvatte een directeur en twaalf leerkrachten.

Mesen was reeds op 7 oktober 1914 bezet door een Duitse voorhoede en op 20 oktober de inzet van hevige gevechten en beschietingen waarbij obussen de schoolgebouwen doorboorden en leerlingen en leraressen in de kelders van de abdij moesten schuilen. Om geen argwaan te wekken stelde de directrice de school aanvankelijk voor als een weeshuis. Op 7 oktober viel een Duitse kapitein, revolver in de hand, het Instituut binnen en gaf aan twee soldaten de opdracht om de Belgische driekleur aan de kerktoren te verwijderen.

Zijn eerste zorg was het serveren van lunch aan de officieren die voor het instituut waren gestationeerd. Wanneer de kapitein merkte dat de wijn niet onmiddellijk werd opgediend eiste hij luidkeels Wein! Wein!  Rond 17 uur ’s avonds was de grote ingang naar de binnenplaats reeds overrompeld en ontruimden soldaten de stallingen voor hun paarden. Daarna gaf de kapitein de opdracht om de kamers voor te bereiden: “De beste bedden en beste kamers voor mijn soldaten, wanneer er niet voldoende bedden overblijven voor de kinderen moeten ze maar in de zetels slapen!” In het dorp werden alle huizen geplunderd en drie in brand gestoken. 

De volgende dag verlieten de Duitse militairen het dorp en vertrokken richting Ieper. Op 14 oktober om 18 uur ’s avonds vielen de eerste Britse troepen Messen binnen nadat ze de Duitsers hadden verdreven uit het Trappist klooster van “Mont des Cats”.  Tot dan was niemand bereid uit het instituut te vertrekken tot op maandag 19 oktober een eerste Duitse obus op het dak van de kapel viel met een explosie zonder te veel schade als gevolg. Het was wel het signaal voor nakende bombardementen die de voormalige abdij en de klokkentoren viseerden.

De directie besloot om met de kinderen niet in het instituut maar in de kelders van het klooster te overnachten. Op woensdagmorgen viel een obus op de eetzaal en om 14 uur in de namiddag vernielde een groot-kaliber projectiel gedeeltelijk het dak van de kerk.  Kinderen en personeel vluchten naar de speelkamer in een andere vleugel van het Instituut. Om 3 uur werd een brand vastgesteld in de schuur en dreigde het vuur zich te verspreiden. 

Ook donderdag 22 oktober 1914 was voor iedereen een lange lijdensweg met voortdurend bombardementen waarvan één inslag op amper twee meter van de grot. Kinderen die in de kelders schuilden, schudden en beefden van angst. De toestand werd onhoudbaar. Na vier dagen van intense beschietingen wende Mevrouw Scheerlinck, econome van het instituut, tot de Britse generaal Plumer en vroeg de toestemming om Mesen te verlaten. Het was een bijgeroepen Frans officier die als tolk moest optreden over een onderhandelde vlucht die onder strikte voorwaarden moest verlopen.

De evacuatie vond plaats onder leiding van de directrice die op 23 oktober 1914 om 23 uur ’s avonds richting Frankrijk vluchtte met leerkrachten, personeel en 92 kinderen waaronder ook een groep meisjes uit het “Institution Royale de Lede” die eerder reeds naar Mesen waren gevlucht. Ondertussen waren 76 meisjes naar hun families teruggekeerd.

In groepjes van 5 tot 10 bereikten ze tegen 2 uur in de morgen de wijk ‘de Seule’ in Nieuwkerke waar op de hoek van de weg Armentières-Bailleul een Franse douanepost lag.  Een kar met levensmiddelen en dekens volgde de groepjes op korte afstand. Tijdens hun vlucht schuilden ze bij burgers en kregen voedsel van de Britse soldaten.  Ondertussen werden de bombardementen op Mesen meedogenloos verdergezet. Op 26 oktober 1914 stonden het Instituut en de kerk van Mesen in brand. In minder dan vierentwintig uur had het vuur zijn werk gedaan en was alles vernield.

Op 28 oktober 1914, rond 16 uur in de namiddag, kwamen de vluchtelingen aan in het Noord-Franse stadje Bailleul waar ze, dankzij juffrouw P.Dumez, konden schuilen in de stedelijke werkplaats aan de Ieperstraat. Wanneer het ook in Bailleul onveilig werd kreeg mevr. Scheerlinck de toelating van de Britse militaire overheid om naar Le Havre te reizen en een definitieve verblijfplaats te onderhandelen met de minister van Justitie. Wanneer de econome op 17 november 1914 terug in Bailleul aankwam was de toelating om naar St.-Germain-en-Laye te vertrekken reeds goedgekeurd.

Op 21 november 1914 vertrokken de leerlingen en begeleiders naar Saint-Germain-en-Laye nabij Versailles in het departement Yvelinnes. Met een trein vluchtelingen werd het konvooi via Nieppe naar Sotteville nabij Rouen gestuurd. Een treinrit van 24 uur onder  slechte omstandigheden in onverwarmde wagons. In Sotteville kreeg met eerst het bevel om naar Calais terug te keren om de boot naar La Palice te nemen. Op 23 november 1914 om 22 uur ’s avonds kreeg de groep uit Mesen alsnog de toelating om naar Parijs te vertrekken waar men de volgende dag om 6 uur ’s morgens aankwam. Verschillende kinderen waren ziek en uitgeput wanneer ze een uur later hun intrek namen in het Collège de Jeunes Filles.

In hun nieuwe verblijfplaats aan de Rue Alexandre Dumas werd het onderwijs gegeven door Belgische leerkrachten, maar uitsluitend in de Franse taal. In de schoolkolonie kwamen voortdurend nieuwe meisjes bij die de Westhoek hadden verlaten waardoor het aantal vlug steeg tot 150.

Een maand nadat de kinderen uit Mesen hun vluchtoord in Bailleul hadden verlaten werd de stad ingenomen door de Duitse troepen.

In april 1919 werd de schoolkolonie stopgezet en keerden 66 overblijvende meisjes terug naar België.

DELPHINE

Eén van de meisjes die niet naar Saint Germain-en-Laye vertrok was DELPHINE BALLEUX uit het Waalse dorp Ocquier in de Condroz. Het tien jaar oude meisje, dochter van een rijkswachter te paard en pas sinds 14 september 1913 te Mesen, zat tijdens de bombardementen verscholen in de kelders van het instituut wanneer haar oom en tante haar einde november 1914 kwamen ophalen om via Oostende naar Londen te vluchten. Haar oom en tante sloten zich kort daarop aan bij het Rode Kruis waardoor DELPHINE ten laste kwam van verschillende Britse hulporganisaties en door verdriet en heimwee wegkwijnde. Bij de hulporganisatie werd ze opgemerkt door een dame die zich om haar bekommerde en door haar terecht kwam bij de het gezin ARTHUR EDWARD TOWLE – MABEL ETHEL TAYLOR en hun kinderen GEOFFRY (15), BETTY (13) en JOHN (3). EDWARD was manager in het Midland Grand Hotel nabij het station Saint-Pancras te Londen. Op het einde van het eerste trimester van 1919 kwam DELPHINE terug naar België ondanks haar pleegmoeder had gehoopt dat ze met haar oudste zoon GEOFFRY zou huwen.


Advertenties